| |
|
KCOurant, 6 april 2006
Perry Hoogendijk, solotubaïst:
‘Muziekinstrumenten waren ons speelgoed thuis’
interview: Petra van der Heide
Sinds september 2005 maakt Perry
Hoogendijk deel uit van ons orkest. Zo
heetten we hem onlangs al welkom in
de KCOurant. Nu vonden we dat het tijd
werd voor een uitgebreidere toelichting
in de serie ‘Unieke Partijen’. Het unieke
van zijn partij licht hij dan ook van harte
toe. Met paarse bougainvillea op de achtergrond
praten we in de zon op Tenerife
over zijn uitgesproken liefde voor de tuba
en over de verschillen tussen tuba en
trombone.
Perry Hoogendijk – ‘Op mijn negende
wist ik al dat ik in dit orkest wilde,’ blikt
hij terug. ‘Mijn vader was trombonist bij
de Koninklijke Militaire Kapel en dirigent
bij diverse ensembles; hij had ieder jaar
een concert in het Concertgebouw voor
het Rode Kruis. Dat concert was bij ons
thuis hoogtepunt van het jaar en ik liep
als negenjarig jongetje al door de gangen
en nam altijd een foldertje van het Concertgebouworkest
mee. Die droom raakte
wat op de achtergrond toen ik wat realistischer
kon inschatten wat het precies
betekende om zo’n baan te krijgen.
tenortuba
Mijn vader heeft mijn broer en mij nooit
gepusht om muziek te maken, wel enorm
aangemoedigd. Bij ons thuis hingen er
heel wat muziekinstrumenten aan de
muur en dat was gewoon ons speelgoed.
Ook piano heb ik een tijdje gespeeld en
op mijn negende jaar begon ik tenortuba
te spelen. De tenortuba heeft een
kleiner mondstuk dan de bastuba, is veel
kleiner van formaat en daarom voor kinderen
niet te groot. Qua speelwijze ligt
het dichter bij trombone dan bij tuba.
Ik vond het ‘wel aardig’, maar het was
duidelijk niet mijn instrument. In de ensembles
van mijn vader viel ik regelmatig
in en speelde van alles en nog wat. Zo
ben ik ooit de bastuba tegen het lijf gelopen,
ik herinner me niet precies meer
wanneer. Het unieke van de partij vond ik
aantrekkelijk: het gevoel de basis te zijn in
een ensemble. Dat heb ik snel herkend.
In de loop van mijn middelbare schooltijd
in Bilthoven, waar ik ook opgegroeid ben,
wist ik zeker dat ik ook de conservatoriumstudie
wilde gaan doen.’

foto: Petra v.d. Heide
geen ster
‘Gedurende mijn conservatoriumstudie
bij Herman Bekkers aan het Hilversums
Conservatorium leerde ik op ouderwetse
manier om hard te werken en serieus met
het vak om te gaan, maar ik was bepaald
geen ster in de tubaklas. Herman zei ooit: ‘Jij haalt hooguit de Marinierskapel.’ Hij
was weliswaar een goede trainer maar
tubatechnisch gezien heb ik niet goed les
gehad. In de loop van mijn studie kreeg ik
behoorlijke problemen met mijn embouchure.
Ik ben daardoor nog harder gaan
werken en heb op pure wilskracht mijn
examens gehaald. Na mijn laatste examen
deed ik auditie bij de Marinierskapel. Ik
kreeg de baan niet en mijn wereld leek
toen in te storten.
Arnold Jacobs
Mijn toekomst was opeens helemaal
blanco en naast het feit dat ik een studieplaats
aangeboden kreeg bij Hans
Nickel in Essen, besloot ik om bij Arnold
Jacobs in Chicago een cursus te gaan
doen en mijn ‘probleem’ aan te gaan
pakken. Hij was een beroemdheid op
tubagebied, ver over de zeventig, en had
boeken geschreven over specifieke beroepsziekten
bij tubaïsten. De cursisten
kwamen blijkbaar allemaal met dezelfde
zorgen bij hem. Arnold Jacobs had onder
invloed van zijn eigen longziekte enorm
veel onderzoek gedaan naar het functioneren
van de ademhaling. Door hem
leerde ik te zingen, beter adem te halen,
en uiteindelijk door veel mentale training
mijn problemen onder controle krijgen.
De studie bij Hans Nickel sloot goed aan
bij deze aanpak. In drie jaar tijd ben ik
er helemaal vanaf gekomen, steeg mijn
zelfvertrouwen en won ik het proefspel
bij het Noord-Hollands Philharmonisch
Orkest.’
full-time baan
‘Bij het Noord-Hollands Philharmonisch
Orkest, dat later met het Nederlands
Balletorkest tot Holland Symfonia werd
gefuseerd, had ik een 60% baan. Effectief
speelde ik ruim de helft van het totaal
aantal diensten en verveelde ik me bij tijd
en wijle, qua repertoire. Ik zat te smachten naar de grote symfonische werken. Er
bleef veel tijd over om te studeren en me
verder te ontwikkelen. Deze baan daarentegen
is een fulltime-baan en dat is wel
even wennen. Ik heb sinds mijn indiensttreding
nu al het tweede opeenvolgende
seizoen waarin ik mijn absolute limiet aan
diensten haal, namelijk 85%. Ondanks
het feit dat ik mijn plek goed heb gevonden
in het Orkest, vind ik dit een hoog
percentage gezien de solistische en unieke
plek van de tuba in het orkest. Ik hoop
van harte dat we in de toekomst hier iets
op kunnen verzinnen.’
PvdH – Sommige mensen rekenen tuba
voor het gemak tot de trombonegroep,
wat vind je daarvan?
PH – ‘Ik zie mijzelf als onderdeel van
de lage kopergroep, een groep waar ik
enorm trots op ben. Tegelijkertijd zie ik
mijzelf tevens als soloblazer. Voor mij
vervult de tuba een multidisciplinaire rol.
Ik speel veel met contrabassen samen,
veel met andere koperblazers. Sibelius’
Tweede symfonie en Bruckners Achtste
symfonie zijn typische voorbeelden van
stukken waarin ik minder met de trombones
te maken heb. Bij Bruckner zat ik
daarom ook naast de Wagnertuba’s. In
Tsjaikovsky daarentegen ben ik weer bij
uitstek de laagste koperblazer van het
gehele koperblok. Ik laat de solotrombonist
aanvoeren als we samen spelen
maar ik kan nooit een andere aanvoerder
verantwoordelijk stellen; daarin ben ik
weer soloblazer. Ik probeer een duidelijke
basis neer te zetten, een soort fundament
onder het orkest te zijn, maar ook anders
te kleuren als de muziek daarom vraagt.
Jansons helpt enorm, ik vind hem een
fantastische en inspirerende dirigent.’
Inmiddels wordt in opdracht van de American
Friends voor Perry Hoogendijk een
nieuw instrument gebouwd. De tuba wordt
gebouwd door de fi rma Hirsbrunner in
Zwitserland en is pas over enkele weken
klaar. De American Friends schenken deze
tuba aan het orkest. In New York is in het
bijzijn van de ‘friends’ en de zus van Donald
Blakeslee de tuba symbolisch overhandigd.
|